Burn-out, opgebrand of uit de brand?
Bestaat een Burn-out of is het gewoon, zoals sommigen zeggen, een hip woord voor ‘overspannen’? Wat gebeurt er bij een burn-out? Toen een vriend mij ruim een jaar geleden vroeg: "wanneer ben je dan weer de oude?" vond ik het tijd om daar eens iets over te schrijven.
In diezelfde periode werd ik door een vaktijdschrift voor directies van zorginstellingen gevraagd of ik mijn ervaringen eens op papier wilde zetten. Wat bleek? Velen die mij voorgingen hadden wel eens een toezegging gedaan om iets op te schrijven, maar trokken uiteindelijk, soms vlak voor de publicatie, de plank op. Bang voor…..ja waarvoor eigenlijk? Ex-collega’s, gezichtsverlies, statusverlies, slechte start bij een nieuwe werkgever, misschien lezen de buren het wel, enz. enz. Op dat moment las ik "Perlmann’s zwijgen" van Pascal Mercier en één zinsnede uit het boek bleef in mijn hoofd hangen: "Het is krankzinnig me vanwege zoiets belachelijks als het respect van een paar collega’s zo onder druk te laten zetten dat alles, wat ik behalve dat óók nog ben, totaal onbelangrijk en niet bestaand lijkt".
Tijd voor een terugblik. Niet om het al dan niet bestaan van het fenomeen te bewijzen of in te kaderen, maar meer om te laten zien hoe je kunt worden overvallen door de gebeurtenissen. Bij een burn-out ben je zelf namelijk altijd de laatste die in de gaten heeft wat er aan de hand is.
Wil je reageren op het artikel, mail dan naar: villabornia@planet.nl
Net als velen, ik ben in 1954 geboren, ben ik opgevoed door ouders die hard hebben gewerkt. Niet zo maar hard, maar hard met tegenslagen. Een eigen zaak in de crisisjaren van de vorige eeuw, in de oorlog geen nagel om hun kont te krabben. Na de oorlog niet meer de middelen hebben om opnieuw te beginnen, de beschaafde armoe uit de wederopbouwjaren en daarna het ingetogen en bescheiden succes uit de zestiger en zeventiger jaren. De hand aan de ploeg, de blik vooruit en niet opgeven, dat waren elementen die ik van jongsaf, samen met het calvinisme, van thuis meekreeg.
Ik koos voor een opleiding in de verpleging en heb vervolgens bijna 30 jaar in de gezondheidszorg gewerkt. Ik begon in 1977 als leerling verpleegkundige en via het rijtje: waarnemend hoofd, hoofd verzorging, directeur kleine instelling, directeur iets grotere instelling, directeur fusie-organisatie, Raad van Bestuur van een nog grotere organisatie en (na een reorganisatie) divisiedirecteur was het uiteindelijk in de nacht van 9 op 10 januari 2006 voorbij.
Tussen 1977 en 2006 heb ik vrijwel alles voorbij zien komen; de komst van de indicatiecommissies, plan Dekker, plan Simons, flankerend beleid, substitutiegelden, zwevende bedden, scheiding wonen en zorg, invoering persoonsgebonden budget, privatisering, nieuwbouw, àlles. Allemaal belangrijk allemaal nodig en allemaal gebaseerd op de eerste en tweede nota Ouderenbeleid uit 1970 en 1975. Elk jaar moest de organisatie vooruit naar het wenkend perspectief van de toekomst. Zo werd het 9 januari 2006.
Zoals elke avond las ik voor het slapen nog een paar bladzijden, maar die avond kon ik mij niet concentreren. Drie, vier keer probeerde ik de tekst tot mij te nemen, maar het ging niet. Het waren drukke maanden geweest met (alweer) gedoe over de begroting, leden van het managementteam die elkaar over de stukken heen aan zaten te kijken: "zeg maar wat je niet meer van mij wilt kopen, ik schop ze er wel uit", zo ging dat. De Raad van Bestuur liet het gebeuren en de MT-leden zaten er zo diep in dat het slechtste in de mens boven kwam. De financiële perikelen werden doorkruist door een uitgebreide MRSA-besmetting op twee van mijn locaties en eigenlijk vond ik dat belangrijker dan de stoelendans om de macht.
Na voor de vierde keer dezelfde alinea gelezen te hebben bekroop me een onbestemd en leeg gevoel. Ik ging op de rand van mijn bed zitten en staarde voor me uit in het niets. Plotseling, werkelijk van het ene op het andere moment, brak het besef door: "het is afgelopen, voorbij, het gaat niet meer". Schrik over deze conclusie, berusting, opluchting en onzekerheid streden daarna om voorrang.
Ik stond weer op, dronk met mijn vrouw nog een borrel aan de keukentafel en sliep daarna tot 7 uur door. In de voorgaande maanden viel ik om 23.00 uur als een blok in bed om daarna vanaf 4 uur wakker te liggen tot het 7 uur was en ik onuitgerust opstond. Die dag meldde ik mij ziek, dat was ook al geen gewoonte, en maakte een afspraak bij de huisarts. Toen hij mij tijdens het spreekuur begroette met: "zeg het maar" zat ik plots met mijn zakdoek in de hand en was de tranenstroom niet tegen te houden. Niet dat ik als een dweil op zijn bureau lag, integendeel. Ik kon mijn verhaal helder vertellen, maar aan die tranen kon ik niets verhelpen.
Voor mijn huisarts was het geen verrassing. Hij had het wel aan zien komen zei hij. Eigenlijk al twee jaar eerder toen ik met vage hartklachten bij hem kwam en daarna een tijdje bij de cardioloog onder behandeling was geweest. Fietsproef, echo-onderzoek, alles prima. De conclusie van de cardioloog: "gelukkig niets aan de hand, het zal wel spanning zijn." Mijn vertaling daarvan was: "het is dus flauwekul", want wat je niet wilt zien is er ook niet.
"Wees blij dat je nu hier zit, dit is de eerste stap op de goede weg; erkennen dat je ziek bent. Meestal sta ik aan een ziekenhuisbed of erger" was zijn eerste commentaar. Maar hij zei ook iets dat voor mij véél belangrijker was: "het overkomt nooit mensen die een loopje met hun werk nemen, het zijn altijd degenen met een hoge arbeidsmoraal en een groot verantwoordelijkheidsgevoel." Voor mij was dat het eerste blijk van erkenning voor het harde werk van de voorgaande 10 jaar. In 10 jaar tijd hadden 3 fusies met bijbehorende reorganisaties plaatsgevonden, maar in diezelfde jaren waren ook onze kinderen door de pubertijd gestormd en hadden het huis verlaten en inmiddels waren onze moeders overleden. Mijn moeder na een zeer ontluisterende periode van dementie. De inboedels van moeder en schoonmoeder stonden nog deels ingepakt en onverdeeld bij ons op zolder. Mijn moeder had het laatste half jaar van haar leven op een afdeling gewoond die onder mijn verantwoordelijkheid viel. Ik was nog enig kind en regelde al jaren haar zaken. Ik bezocht mijn moeder op de afdeling waar ik normaal kwam om te vergaderen en dat gaf een bijzonder perspectief aan de omstandigheden. Na haar overlijden had ik grote moeite de locatie nog te bezoeken, maar daar sprak ik alleen thuis over.
Het was 10 jaar vol gas geweest, op alle fronten, maar ik liet me leiden door……plichtsbesef?, ….angst om op te geven?….niet onder willen doen voor je jongere collega’s?….het gevoel iets wezenlijks te melden te hebben?….of een combinatie van al die factoren?
Na het bezoek aan de huisarts fietste ik zeer opgelucht naar huis, die beer was van mijn rug. Het besef dat ik me niet hoefde te schamen nu het voor het eerst in 28 jaar gewoon even niet meer ging. Binnen 2 dagen had ik een oproep voor de bedrijfsarts in de bus, de werkgever wilde haast maken, maar ik wist nog niet waarmee. Ook bij de bedrijfsarts hield ik het niet droog en haar conclusie was dat mijn herstel wel een behoorlijke tijd zou kunnen duren.
Ik liep lang genoeg mee om te beseffen dat je in dit spel verdraaid goed op moet letten om de regie niet kwijt te raken; de regelmatige gesprekken bij de bedrijfsarts, doorverwijzing naar een coach, meedoen aan een onderzoek naar de overeenkomsten tussen stress in het bedrijfsleven en bij topsporters en binnen een maand de mededeling van de werkgever dat je terugkomst niet meer gewenst is. Vanaf dat moment ontstaat er ook juridisch gedoe dat niet erg verheffend is. Uit dat moeras ben ik min of meer gered door een interview met oud minister Witteveen, op dat moment voorzitter van de Internationale Soefiebeweging, dat tijdens de kerstdagen van 2006 werd uitgezonden. Hij gaf in dat interview zo’n herkenbaar beeld over de macht van hebzucht dat ik direct daarna akkoord ben gegaan met de voorgehouden vertrekregeling zodat ik me vrij kon bewegen.
Na ruim 20 jaar aan de andere kant van de tafel gezeten te hebben was ik dan zèlf onderwerp van een vertrekregeling geworden. Van een verantwoordelijke baan waarin ik omging met beleids- en plannenmakers en gemotiveerde collega’s, waarin ik deel uitmaakte van interessante netwerken, zat ik zomaar op een ochtend bij het CWI met een bekertje koffie in mijn hand tussen andere werkzoekenden. Ik wàs iemand geweest en mijn nieuwe status was nog onzeker, zo voelde het. Dat is een goede oefening in nederigheid geweest. Maar niet alleen daar, ook op straat wordt de wereld anders. Oud collega’s en medewerkers, sommigen kende ik al meer dan 10 jaar, moeten plotseling iets in hun tas zoeken als ze me zien, of maken U- bochten omdat ze zich plotseling iets belangrijks herinneren. Al vele jaren kende ik de leden van de Raad van Toezicht, een ervan was zelfs een oud-collega, een ander belde mij op zondagavond regelmatig op om iets te bespreken, maar na mijn uitval waren ze mijn adres en telefoonnummer kwijt. Zou het ook zo zijn als je kanker hebt en mensen niet weten wat ze moeten zeggen, dus maar niets zeggen?
Het was als de grot van Plato, jarenlang zit je zonder het te weten met je rug naar de werkelijkheid en denkt de de wereld gevormd wordt door de schaduwen op de muur tegenover je.
En wat betekende het thuis? De situatie van een vader die plotseling thuis zit beïnvloedt het hele gezin, maar eigenlijk is dat niet nieuw. Vader heeft natuurlijk al jaren het gezin beïnvloed met zijn gedrag. Eerst in de opbouwfase van zijn carrière. Directeuren van kleine (zorg)organisaties hebben nooit vrij. Als er iets aan de hand is willen mensen altijd maar met 3 personen zaken doen; de lieve Heer, de oude koningin of de directeur, en ze komen dan vrijwel altijd bij de directeur terecht. Dat is niet erg, het vormt ook de charme van het werk, maar het betekent wel dat het gezinsleven om dat van het werk wordt geplooid. In de latere jaren, bij het groeien van de organisatie is vader altijd druk, altijd in de weekends bezig en heeft vaak geen zin meer in andere activiteiten. Het wordt geaccepteerd omdat hij een verantwoordelijke baan heeft en zich ook verantwoordelijk vóelt. En dan zit die vader plotseling thuis. Geen vergaderingen meer, geen telefoontjes. Ik hoefde geen haast meer te hebben en mijn vouw wist mij de hele dag in haar nabijheid. Als de kinderen overdag naar huis belden nam ìk op en op zondagavond zat ik gewoon in de huiskamer in plaats van op mijn werkkamer. Mijn leven veranderde drastisch, vooral omdat ik weer oog kreeg voor andere dingen. Meer rust, meer tijd en zin om naar gezin en familie te luisteren. Ik kwam los van mijn werk en begon me te realiseren hoe loyaal vrouw en kinderen al die jaren waren geweest. De rollen werden omgedraaid, nu had ìk tijd voor ze. En daarbij kwam nog iets anders. Op weg naar coach of bedrijfsarts kon ik kiezen; òf langs de provinciale weg fietsen of een omweg door het bos. Ik koos het bos en fietse zomaar op doordeweekse dagen naar de stad. Ik hoorde de groene specht lachen, zag de zon mozaïeken leggen op het bospad en rook het mos na een regenbui. Mijn leven kreeg een ander tempo, de uren telden anders.
Ik hield een vaste dagindeling aan en pakte een onderzoek op dat ik als sinds 1980 onder handen had gehad, maar steeds vooruitschoof onder de druk van mijn werk. Ik reisde naar archieven, deed onderzoek, ontmoette interessante mensen met heel andere drijfveren dan waaraan ik gewend was, ik sprak met hobbyisten en professionals. Uiteindelijk kon ik mijn onderzoek afronden met een manuscript over de oorlogsjaren van mijn familie. Het was en zoektocht naar een verborgen deel van het familieleven, maar in zekere zin vond ik ook mijzelf terug. In die periode kwam ook de vraag: "maar wanneer ben je weer de oude dan?" Volkomen naar waarheid kon ik zeggen dat ik nooit meer de Henk Jan zou worden die hij twee jaar geleden kende, maar dat het veel eerder de adolescente Henk Jan zou worden, de creatieve en onbevangen Henk Jan, Henk Jan zoals hij was voordat hij in de carrièreval stapte, maar nu met de bagage van een heel leven op zak.
Kwam het onverwacht? In 2006 was nog het een donderslag bij heldere hemel. In 2009 kan ik zeggen dat ik het onweer al geruime tijd achter de horizon hoorde rommelen, de lucht was drukkend, de vogels zwegen. Ik kon mij de laatste jaren steeds minder vinden in de ontwikkelingsrichting van de gezondheidszorg. De administrateurs hadden een geslaagde machtsgreep gedaan, het Angelsaksische managementmodel werd norm en toezichthouders waren vooral gefixeerd op getallen. Salarissen heetten plotseling ‘marktconform’ en tijdens vergaderingen werd de toon gezet in vlotte managmenttermen als; vermarkting, productie, uurtje factuurtje, meten is weten, de eigen broek ophouden, afrekenen op prestaties. Mijn argumenten, ik was het oudste lid van het managementteam en kende als enige de situatie in mijn werkomgeving nog van vóór alle fusies, legden geen gewicht meer in de schaal en ik kon de koers niet meer beïnvloeden. Er kwam nooit meer een woord van waardering en op een gegeven moment werd ik een icoon uit het verleden, de ouwe lul die aan de rem hangt en niet meer bijdraagt aan de toekomst van de organisatie. Maar in die fase telde vooral: "ik ben al 52, ik draai al 28 jaar mee, het zal mij toch niet gebeuren dat…". En dan gebeurt het juist.
Een paar maanden daarvoor had ik bij het opleidingscentrum De Baak deelgenomen aan "Ik en de anderen". Ik was met mijn 52 jaar de oudste deelnemer in de groep van 11 en verbaasde me erover dat ook veel jonge mensen al worstelden met loopbaanperspectieven en loopbaantwijfels. Zelf leerde ik de verschillen zien tussen de diverse levens- en carrièrefasen en merkte ook dat het helemaal niet zo bijzonder en uniek is wat er met mij gebeurde, dàt je op je 30e nu eenmaal anders over leven en werk denkt dan op je 50e, maar dat je perspectieven daarom zeker niet minder zijn. Het betekende ook dat ik die week besefte dat ik niet op deze manier nog 10 jaar wilde werken. Hoe het dan wel moest, daar had ik nog geen idee van, maar twee maanden later bracht mijn burn-out als een Deus ex machina de noodzakelijke wending. Tegenwoordig zet ik als zelfstandige mijn kennis en ervaring in op plaatsen waar ik iets kan bijdragen aan organisaties en voor mensen. Het plezier in het werk staat voorop, niet meer de positie in de organisatie.
Hoe diep is de put van een burn-out? Ik denk dat ik de bodem heb gezien, maar het is ook zo, zoals Oscar Wilde schreef in "Lady Windermere’s Fan"; "we are all lying in the gutter, but some of us are looking at the stars."

februari 20, 2009 at 14:14
Is dat echt zo? Dat je de laatste bent die dat in de gaten heeft?
*Ff offtopic: Je hebt dat mooi opgelost, met dit artikel! Supermooi.
februari 20, 2009 at 15:10
Bij het lezen springen de tranen me in de ogen,er zijn zoveel overeenkomsten.Maar we zijn uit die put gekomen,en genieten nu van een ander leven.
Wat wel een steun is,dat veel van die superorganisaties nu één voor één omdonderen.Maar dat zagen wij 15 jaar geleden al aankomen.Ik ga nu lekker het kippenhok schoonmaken!!
Groet Bob.
april 10, 2011 at 07:53
Ik lees net je verhaal, dank voor je tip. Ik sta aan de vooravond van een lange weg, maar je bent een voorbeeld. Ook ik zal een andere kijk op mijn verder bestaan krijgen, zéker en vast.